Bouwbesluit biedt veel meer vrijheid
Het Bouwbesluit laat veel meer vrijheid voor herbestemming dan wordt gedacht. De bouwregels worden nu te streng geïnterpreteerd, zegt brandpreventie-expert René Hagen. ‘Een kantoor van 20 duizend m2 zonder sprinklerinstallatie, dat behoort met de huidige bouwregels gewoon tot de mogelijkheden’.
"Discotheek" uit de serie "Anti-Kraak" van Janus van den Eijnden en Tom Lievense
Sommige dingen moet je als herbestemmer niet willen. Kamerbewoning in een beschermd stadsgezicht, bijvoorbeeld. De eisen van brandveiligheid (een kooiladder langs de gevel) stroken niet met die van monumentenzorg (geen aantasting van de pui). Dus niet elke functie is geschikt voor elk gebouw, maar met een goede match is heel veel mogelijk, zegt René Hagen, lector Brandpreventie van het Nederlands instituut fysieke veiligheid. Hagen is een man van de praktijk en van de kennis; hij doet onderzoek naar brandpreventie, doceert, en adviseert overheden en bedrijfsleven bij grote projecten als tunnels, Schiphol en het Rijksmuseum.
Een snelle aanpassing van het Bouwbesluit verwacht Hagen niet. Die jaagt de bouw te veel op kosten en in deze tijden van crisis wil de sector dat er niet bij hebben. Dus het versoepelen van de eisen voor herbestemming van nieuwbouw naar bestaande bouw zit er volgens hem voorlopig niet in. Toch is er op twee punten wel degelijk veel ruimte in de bouwregels, waar herbestemming tot nu toe te weinig van profiteert.
Allereerst is er de categorie tijdelijke bouw. Deze tussenvorm stamt uit begin jaren 90 en is ingevoerd voor de talloze wisselwoningen die nodig waren voor de grootschalige renovatie van stadswijken in die jaren. Hiervoor gelden lichtere eisen, waar je maximaal zeven jaar gebruik van mag maken, daarna is de keus: het gebouw upgraden of sluiten. Hagen: ‘In Amsterdam staat een tijdelijk flatgebouw waar 1100 studenten wonen. Dat is nu zeven jaar in gebruik. Hier wordt geslapen, dus is men streng. Er moet een sprinklerinstallatie komen en anders is het afgelopen. Maar bij een kantoorpandje in een monument kun je wat soepeler zijn.’
Risicocalculatie, daar draait het om. ‘Risico is kans maal effect’, doceert Hagen, ‘en daar zit de ruimte. Neem een grote kerk. Als daar brand uitbreekt, kunnen de mensen gemakkelijk weg, want het is een grote ruimte. Het is er hoog, de rook blijft niet hangen onder een plafonnetje van 2.40 meter er is weinig brandbaar materiaal, dat maakt de kans op uitbreiding gering. Het effect van de brand is dus klein, in dat geval mag de kans op brand wat groter zijn. Aan een kerk waar weinig mensen komen dezelfde eisen stellen als aan een bomvolle discotheek hoeft dus niet.’
De uitgangspunten van het Bouwbesluit zijn helder: mensen moeten tijdig kunnen vluchten, de brand moet beheersbaar blijven en niet overslaan naar de buren. Deze principes zijn vertaald in functionele-eisen en prestatie-eisen. Hagen: ‘De nadruk ligt nu heel erg op prestatie-eisen: zoals bij een x-aantal vierkante meter moet een kantoor opgedeeld worden in compartimenten. Sinds de branden in Volendam en in het cellencomplex op Schiphol is er natuurlijk ook heel erg gehamerd op regels. Het principe van gelijkwaardigheid is daarmee wat ondergesneeuwd. Want wanneer je uitgaat van de risico’s kun je per gebouw andere afwegingen maken. Er hoeft niet altijd een sprinklerinstallatie te komen. Als de kans op een grote brand gering is, bereik je met minder ingrijpende bouwaanpassingen al een gelijkwaardig risiconiveau. Je weegt dus de functie af, maar ook het gebruik van een pand. Verder kun je bouwkundige ingrepen deels compenseren met beperkingen in het gebruik, zoals het vermijden van brandgevaarlijke materialen, duidelijke afspraken over het beheer - geen rommel in de trappenhuizen en geen nooduitgangen blokkeren. Maar dan moet je als projectontwikkelaar wel invloed hebben op het gebruik.’
Net als bij de verkeersveiligheid waar gerekend wordt met streefcijfers voor het (verminderen van) het aantal doden en gewonden, wordt ook bij de brandpreventie meer en meer gedacht in termen van risico en haalbare doelen. Hagen juicht deze ontwikkeling toe, want het maakt de echte risico’s zichtbaar. ‘De overheid wilde 880 miljoen investeren in de brandveiligheid van de overheidsgebouwen. Maar wil je de ambtenaren echt beter beschermen, geef ze dan rookmelders voor thuis. Dan ben je ook nog eens voor zeven ton klaar. De brandveiligheidsproblemen zitten in de woningen en in slaapgebouwen. Ik kan me niet herinneren wanneer voor het laatst een dode is gevallen bij een brand in een kantoor.'