Gaat u een kerk, klooster, boerderij of maatschappelijk vastgoed herbestemmen? Dan spelen een aantal specifieke aspecten een rol. In dit kennisdossier leest u hier meer over.

Religieus erfgoed (kerken)

Leegstaande kerken en kloosters komen steeds vaker voor in het straatbeeld. Sinds het Jaar van het Religieus Erfgoed in 2008 en de Agenda Toekomst Religieus Erfgoed in 2015/2016 is deze omvangrijke opgave in de aandacht komen te staan.

Er zijn bijvoorbeeld verschillende handreikingen uitgebracht. Zowel voor kerkeigenaren als voor lokale overheden. Ook is op sommige plaatsen een dialoog tot stand gekomen tussen beide. Op lokaal of zelfs regionaal niveau onderzoeken ze samen hoe de kerksluitingen het best kunnen worden begeleid.

Met een kerkenvisie of kerkenplan wordt een oplossing gezocht voor meerdere kerken tegelijk (stap 1). Maar soms kan multifunctioneel gebruik, meer doen met de kerk dan alleen de eredienst, ook een oplossing zijn (stap 2). Tot slot kan herbestemming van kerken serieuze mogelijkheden bieden (stap 3). Deze paragraaf wordt afgesloten met een paar ervaringen t.a.v. de herbestemming van kerken.

Stap 1: clusteren: kerkenplan of kerkenvisie

Vanwege de hoog oplopende emoties en grote financiële belangen gaat het bij het afstoten van religieuze gebouwen vaak om langdurige en complexe processen. Om die reden wordt er bij kerken steeds vaker voor gekozen om niet per gebouw, maar per cluster van kerken naar een oplossing te zoeken. Binnen een zogeheten ´kerkenplan´ of ´kerkenvisie´ wordt voor meerdere gebouwen tegelijk bepaald welke worden behouden en welke afgestoten. Steeds vaker ontwikkelen kerkbesturen en burgerlijke overheden een dergelijke visie in onderling overleg.

Voordeel van een gezamenlijke visie is dat belangen tijdig op elkaar kunnen worden afgestemd. De kerkeigenaar of eigenaren weten welke kerken voor de burgerlijke maatschappij de belangrijkste waarden vertegenwoordigen. De burgerlijke overheid kan tijdig verkennen op welke manier ze herbestemming en/of sloop mogelijk kan maken van de af te stoten kerken. Zo kan de overheid helpen bij het zoeken van nieuwe gebruikers en kunnen afspraken worden gemaakt over toegestane functies.

Stap 2: multifunctioneel gebruik (meer doen dan alleen kerken)


Wat is multifunctioneel gebruik?
Kerkenraden en kerkbesturen openen steeds vaker de kerkdeuren voor andere gebruikers. Zij verkrijgen daarmee extra inkomsten voor onderhoud van het kerkgebouw. Daardoor kan de geloofsgemeenschap er blijven kerken. Omgekeerd draagt de 'maatschappij' door het medegebruik een steentje bij aan de instandhouding van het kerkgebouw. Hierdoor kunnen burgers er van blijven genieten. Het win-win-principe is helder. Toch vraagt multifunctioneel gebruik om een doordachte aanpak.

Aandachtspunten multifunctioneel gebruik:

  • Medegebruik - functioneel scheiden
    Multifunctioneel gebruik kan vele vormen aannemen. Het begint bij medegebruik door verhuur van het gebouw. Vaak vraagt dat al wel om aanpassing van de faciliteiten, zoals een garderobe, keuken en toiletten.

    Neemt het medegebruik grotere vormen aan, ook qua inkomsten, dan zijn soms ook andere aanpassingen nodig en mogelijk. Zoals een draaibaar koorhek, het vervangen van de vaste banken door losse stoelen, het plaatsen van een tochtportaal, moderne verwarmingstechnieken, aanvullende verlichting, etc. Niet alleen fysiek zijn dan aanpassingen nodig. Er zal ook een 'verhuurkantoor' moeten worden ingericht.

    Nog een stap verder is het daadwerkelijk functioneel scheiden van de functies. Een deel van de kerk wordt dan afgescheiden voor de kerk en de rest wordt ingenomen door een nieuwe functie, zoals wonen of welzijn. In feite is er dan sprake van een gedeeltelijke herbestemming van de kerk,
     
  • Organisatievorm multifunctioneel gebruik
    Ook de manier waarop het multifunctioneel gebruik wordt georganiseerd is divers. Een lichte vorm is bijvoorbeeld de oprichting van een zelfstandige stichting 'de vrienden van'. Deze stichting zet zich in voor fondsenwerving voor het onderhoud. Daarvoor kan ze het kerkgebouw gebruiken in overleg met de kerkbeheerder. De geloofsgemeenschap en de andere gebruikers kunnen ook samen een stichting oprichten die de exploitatie van het gebouw regelt. Zo’n stichting krijgt vrijheid van handelen binnen vooraf afgesproken kaders.

    Nog weer een stap verder is dat de geloofsgemeenschap naast het beheer ook het eigendom van het gebouw overdraagt aan de gezamenlijke stichting of een externe organisatie. Denk bij dit laatste aan gespecialiseerde beheerstichtingen die meerdere kerkgebouwen in eigendom hebben, zoals de provinciale stichtingen voor behoud van oude kerken, stadsherstellen en monumentenfondsen. De geloofsgemeenschap wordt dan huurder en is niet langer zelf de gebouwbeheerder. Er kan ook sprake zijn van gedeeld eigendom met een vereniging van eigenaren.
     
  • Randvoorwaarden multifunctioneel gebruik
    Welke ruimtelijke en organisatorische vorm wordt gekozen hangt af van een aantal keuzes en omstandigheden.
  1. Welke andere functies vindt men gepast?
    Dit is een afweging die vooral de geloofsgemeenschap moet maken. Zij kan bijvoorbeeld op zoek gaan naar activiteiten die passen bij de eigen identiteit van de gemeenschap. Zoals activiteiten om medemensen te ondersteunen, kennisoverdracht voor verrijking van het geestelijk leven, medegebruik door andere kerkgenootschappen, etc.

    Een andere invalshoek is het kerkgebouw te beschouwen als middelpunt van een wijk of regio. Door medegebruik krijgt de kerk een bredere plaats in de samenleving. Dan gaat het bijvoorbeeld om gebruik door buurtverenigingen, gebruik voor niet-kerkelijke vieringen, de vestiging van een gemeentelijk loket, de bibliotheek, etc.

    Vaker wordt de afweging echter vooral vanuit het gevoel gemaakt. De geloofsgemeenschap heeft meestal een duidelijk beeld van de functies die ze niet wil. Wat de geloofsgemeenschap of de samenleving uiteindelijk 'passend' vindt is cultureel bepaald en tijdgebonden. Protestanten hebben hierover meestal een ruimere opvatting dan katholieken. En pas in de 19e eeuw werd de kerk gebouwd voor alleen een religieuze functie. Daarvoor was nevengebruik heel gewoon.
     
  2. Welke functies passen en mogen binnen de randvoorwaarden?
    Denk hierbij aan bescherming van monumentale waarden, beperkte daglichttoetreding en andere bouwkundige zaken, overlast voor de buurt en andere zaken die te maken hebben met de ligging, mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, het horecabeleid en gebruiksbepalingen van de brandweer. Treed daarom tijdig in overleg met de buurt, gemeente en brandweer om verrassingen achteraf te voorkomen.

    Vaak zijn functies die het dichtst bij het oorspronkelijke gebruik liggen het makkelijkst in te passen. Zowel ruimtelijk als qua regelgeving. Vooral culturele functies komen daarom veel voor als medegebruiker. Zoals exposities en concerten. Maar ook conferenties en productpresentaties kunnen vaak goed in een kerkzaal plaatsvinden. Sommige kerkgebouwen zijn bijzonder rijk gedecoreerd en kennen nog een authentiek interieur, of een bijzondere akoestiek. Dit legt beperkingen op aan het medegebruik, maar is aan de andere kant ook de aantrekkingskracht voor bijzondere functies en activiteiten, bijvoorbeeld in de culturele en toeristisch, recreatieve sfeer. Andere gebouwen kennen meer gebruiksmogelijkheden, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van verschillende ruimtes die los van elkaar kunnen worden verhuurd.
     
  3. Welke functies leveren voldoende op?
    Ook hier geldt dat functies die dicht tegen het oorspronkelijk gebruik liggen financieel aantrekkelijk zijn. Hiervoor hoeven immers minder aanpassingen en dus investeringen te worden gedaan.

    Als er wel aanzienlijke investeringen nodig zijn, is het verstandig om te onderzoeken of er meerjarige garanties op het gebruik gegeven kunnen worden. Bij gesubsidieerde instellingen is van belang om te weten of de betreffende instelling ook in de toekomst subsidie blijft ontvangen.

    Een ander aspect dat hier van belang is, is de vrijstelling van kerken voor lokale belastingen als OZB en waterschapslasten. Deze vrijstelling vervalt als de kerk niet langer voor meer dan 70% van de inhoud (m3) in gebruik is voor kerkdiensten en openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

Financiering multifunctioneel gebruik

  • Kerken Nevenfunctie-lening. Eigenaren van rijksmonumenten kunnen bij het Nationaal Restauratiefonds een laagrentende lening aanvragen voor de financiering van de werkzaamheden die nodig zijn om nevenfuncties mogelijk te maken.
  • Fondsen. In een enkel geval steunen fondsen de verbouwing van kerkgebouwen, vaker richt de financiële bijdrage zich op het realiseren van sociaal-maatschappelijke of culturele activiteiten. Kijk goed wat de kernwaarden van het fonds zijn en welk deel van de plannen daarmee gefinancierd zou kunnen worden. Te denken valt aan het Bouwfonds Cultuurfonds, Triodos Cultuurfonds, VSB-fonds, Oranjefonds, Maatschappij van Welstand, Rabo dichtbijfonds, Dinamo Fonds, ANWB Fonds, e.a.
  • Crowd funding. Dit is een nieuwe term voor een fenomeen dat in de kerk al heel oud is, namelijk de collecte voor de kerk. Het principe is hetzelfde: veel kleine bijdragen vormen samen een groot bedrag. Alleen het medium is anders. Tegenwoordig zijn er verschillende websites waarop een crowdfundingactie opgezet kan worden. Als het gaat om behoud van het kerkgebouw door nevenfuncties is vaak ook de niet-kerkelijke gemeenschap bereid om bij te dragen.
     

Stap 3: welke nieuwe functie een kerk kan krijgen? Dit hangt grosso modo van vijf kernvragen af:

  1. Welke functie past bij de monumentale waarden en bouwkundige karakteristieken van het gebouw?
  2. Wat vindt de (kerkelijke) gemeenschap passend?
  3. Wat staat de lokale overheid toe?
  4. Wat speelt er in de markt, waar is behoefte aan?
  5. Welke functie biedt zicht op een sluitende exploitatie?

In de publicatie Een toekomst voor kerken komt een aantal van deze aspecten aan bod.

  • Passend bij gebouw
    Bij herbestemming van monumentale gebouwen bestaat bijna altijd een spanningsveld tussen het programma van eisen voor de nieuwe functie en behoud van de kernwaarden van het gebouw. Om die reden heeft een functie die dicht bij de oude functie ligt vaak de voorkeur. Functies waarvoor zoveel mogelijk vierkante meters gemaakt moeten worden, komen om die reden minder snel in aanmerking. Hetzelfde geldt voor een functie waarvoor de kerkzaal opgedeeld moet worden. Dus eerder een congresruimte dan ombouw naar appartementen. Al is de kwaliteit van het nieuwe ontwerp ook een veel bepalende factor. Een goed ontwerp kan ook een minder voor de hand liggende functie passend maken. En omgekeerd: een slecht ontwerp kan een prima functie laten detoneren.

    Om gericht te kunnen zoeken naar een passende functie is een goed beeld nodig van de te behouden kwaliteiten en de bouwkundige mogelijkheden. Dit kan door een cultuur- en bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. Soms is ook een oriëntatie op archeologische waarden nodig. Bouwkundig onderzoek geeft tot slot inzicht in het technische aanpassingsvermogen van het gebouw.
     
  • Uit respect voor
    Over het algemeen worden commerciële functies, zoals kantoren en horeca minder passend gevonden als nieuwe functie. De kerkgemeenschap ziet het liefst dat de kerk in gebruik wordt genomen door een ander christelijk geloofsgenootschap. Als dat niet lukt, gaat de voorkeur uit naar sociaal-culturele functies, zoals een bibliotheek, hospice, gezondheidscentrum of museum. Ook in de samenleving bestaat een sterke voorkeur voor dit soort functies.

    Zowel de Rooms-katholieke kerk als de Protestantse kerk in Nederland heeft een formeel standpunt geformuleerd over herbestemming. Deze standpunten zijn opgenomen in de publicatie Een toekomst voor kerken.
     
  • Formele ruimte voor herbestemming
    Voor een functiewijziging is al snel een omgevingsvergunning nodig voor het bouwaspect en soms ook het monumentenaspect. Als er een archeologische rijksmonument in het geding is, komt er ook een omgevingsvergunning bij kijken. Voor functiewijziging kan bovendien een ontheffing of aanpassing van het bestemmingsplan nodig zijn (omgevingsvergunning). Et cetera. Vrijwel altijd komt de gemeente in beeld omdat er vergunningen moeten worden aangevraagd.

    Steeds meer gemeenten willen proactief meedenken in de afweging welke kerkgebouwen afgestoten worden en welke daarvan voor herbestemming in aanmerking komen. Zij kunnen dan tijdig de randvoorwaarden regelen. Bijvoorbeeld door het bestemmingsplan aan te passen en meer functies toe te staan. Door een wijzigingsbevoegdheid op te nemen. Of door instanties die een nieuw onderkomen zoeken, te matchen met het aanbod van leegstaande kerken.
     
  • Marktvraag
    Linksom of rechtsom is deze factor allesbepalend. Een kerk kan uitermate geschikt zijn voor een culturele functie, maar goede bedoelingen stranden als deze sector net voorzien is van een gloednieuw cultureel centrum elders. Of als er door de bezuinigingen geen geld is. Omdat over het algemeen veel waarde wordt gehecht aan de maatschappelijke functie van de kerk, loont het de moeite om grondig te verkennen waar de omliggende wijk behoefte aan heeft. Een functie die de wijkstructuur versterkt, kan rekenen op draagvlak en een relatief korte procedure.
     
  • Sluitende exploitatie
    In de publicatie Onderzoek herbestemming kerken en kerklocaties: een inventarisatie vanaf 1970 staat dat herbestemmingen tot kantoren vrijwel altijd rendeerden. Voor woningbouw gold dit ook, mits de huren/verkoopprijzen hoog genoeg waren. Dit zijn echter gegevens van vóór de economische crisis. Van de afgelopen jaren zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Maatschappelijke functies blijken de ene keer wel en de andere keer niet te renderen. Bepalend hier zijn de locatie van het kerkgebouw, keuze van de functie, het proces rond herbestemmen en creatieve oplossingen. Aandachtspunt vormt de dekking van de toekomstige onderhoudslasten.
     

Stap 4: lees de ervaringen van herbestemming van kerken.
 

Uit het rapport Onderzoek herbestemming kerken en kerklocaties: een inventarisatie vanaf 1970, zijn tien casussen bekeken. Hieruit komen de volgende conclusies:

  • Herbestemmen hoeft niet duurder te zijn dan sloop/nieuwbouw voor eenzelfde functie. Voorwaarde is wel dat er geen majeure ingrepen nodig zijn.
  • Een aanwijzing tot monument gedurende het herbestemmingsproces beïnvloedt de verkoopprijs negatief. Een rekening die tot op heden veelal bij de kerkgenootschappen blijft liggen.
  • In de exploitatie wordt te weinig rekening gehouden met structureel onderhoud. Een kengetal voor het onderhoud van een gemiddeld kerkgebouw is € 50.000 per jaar.
  • Over het algemeen blijken structurele bijdragen van derden van belang voor een gezonde exploitatie op termijn (giften en subsidies).
  • Een monumentenaanwijzing is geen voorwaarde voor herbestemming. Er zijn net zoveel kerken met als zonder monumentenstatus herbestemd.
  • Een ideale herbestemming versterkt de architectonische en cultuurhistorische kernwaarden van het gebouw en de stedenbouwkundige context. Ze draagt bij aan instandhouding van de monumentale aspecten, kan bogen op een financieel gezonde toekomst, heeft een functie die door iedereen als passend wordt ervaren, behoudt een maatschappelijke functie en wordt bestuurlijk gezien als een voorbeeldproject.

links naar publicaties 

Reliwiki
Database met informatie over en foto’s van religieuze gebouwen.

Vereniging Beheerders in Monumentale Kerkgebouwen in Nederland (VBMK)
Landelijke vereniging van eigenaren en beheerders van monumentale kerken. Verzamelt en verspreidt kennis over multifunctioneel gebruik van monumentale kerken. In toenemende mate besteedt de vereniging ook aandacht aan herbestemming.

Toekomst Religieus Erfgoed
Nieuws, kennis, discussie en samenwerking op het gebied van Religieus Erfgoed

Toekomst Religieus Erfgoed, Publicaties
Publicaties van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed  

Agrarisch erfgoed (boerderijen)

Ondanks de betrekkelijke geringe omvang van ons land bestaat er een groot aantal verschillende boerderijtypes, bepaald door de aard van het bedrijf, de regio, de voor handen zijnde bouwmaterialen en de grondsoort waar zij op staan.

Tot de Tweede Wereldoorlog waren de streekeigen verschillen bij boerderijen duidelijk herkenbaar. Na de Tweede Wereldoorlog maakten door modernisering van het bedrijf de streekgebonden karakteristieken plaats voor praktische, universele kenmerken. Met de opkomst van de moderne, niet streekgebonden bouw van vooral na 1960 dreigen de streekeigen kenmerken verloren te gaan. Het gebruik van materialen uit de omgeving is in de moderne samenleving niet meer noodzakelijk en vanzelfsprekend, waardoor materiaalgebruik en kleurkeuze niet meer in relatie met de bestaande bouw staan. Want, wat zou de reden voor een modern bedrijf moeten zijn om terug te grijpen op historische typologieën en bouwmaterialen?

Door schaalvergroting van boerenbedrijven en voortschrijdende rationalisering van de landbouw voldoen de oude boerderijen niet meer, met hun te kleine, niet praktisch ingerichte stallen, te weinig opslagcapaciteit en stallingruimte. De strenge milieueisen, de beperkte uitbreidingsmogelijkheden of teruglopende inkomsten zijn ervan de oorzaak dat er nog elke dag boeren met hun bedrijf stoppen of ergens anders verder gaan. De ingrijpende verandering van het platteland heeft voor de historische boerderijen grote gevolgen. Er worden boerderijen afgebroken, er komen boerderijen leeg te staan en er verrijzen nieuwe stallen op het erf bij de historische bebouwing. In alle gevallen betekent dit een verandering voor de historische boerderij en in veel gevallen ook voor het landschap.

Het blijkt dat het boerderijenbestand sedert de jaren zestig van de vorige eeuw sterk is teruggelopen. Voor de Tweede Wereldoorlog telde Nederland ongeveer 192.000 boerenbedrijven. Uit een telling van de voormalige Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek (SHBO) uit 2001 blijkt dat in dat jaar er nog maar ongeveer 91.000 boerderijen van vóór 1940 over waren.  Een onderzoek door de Universiteit Wageningen uit 2010 toont aan dat de volgende 10 tot 15 jaar nog eens 17.000-19.000 boeren zullen stoppen. In 2001 was het percentage boeren in een historische boerderij ca. 38 procent. Indien dit percentage gelijk is gebleven zou dat betekenen dat het om ca. 7.000 historische boerderijen gaat die vrijkomen.

Praktijk herbestemmen

Veel historische boerderijen verliezen mettertijd hun bedrijfseconomische functie. Als de boerderij een andere functie krijgt - bijvoorbeeld als woning, winkel of kantoor - stelt dat nieuwe eisen en wensen aan het gebouw ten aanzien van gebruik, veiligheid, of comfort. De eisen waaraan minimaal voldaan moet worden, staan in het Bouwbesluit. Sinds 2012 zijn die eisen bij herbestemmen eenvoudiger geworden. 

Historische boerderijen zijn vaak te klein en niet praktisch ingedeeld voor een andere bestemming. Ze bestaan meestal uit een hoofdgebouw met een woondeel en een bedrijfsdeel. Beide delen zijn van de buitenzijde herkenbaar aan de vorm, gevelindelingen en soms ook het kleurgebruik. Wonen, werken, het stallen van vee en opslaan van de oogst gebeurde meestal onder één dak. De boerderij is in zijn opzet, indeling en bouwmaterialen precies afgestemd op de agrarische functie. Een andere functie vraagt dan ook bijna per definitie om aanpassingen.

Typische aandachtspunten bij het herbestemmen van boerderijen zijn om te beginnen de lage plafonds en deuren. De wens om de gevels te isoleren is een goede tweede. Meer ramen voor meer daglicht is een derde. Deze wensen verhouden zich soms lastig tot de wens om karakteristieke onderdelen van interieur of dakconstructie zichtbaar te houden. Dat geldt ook voor de bijgebouwen. Een bakhuis, hooiberg, schuur of hok voor de dieren heeft vaak zelf ook cultuurhistorische waarde. De schuren zijn vaak grote, ongedeelde ruimtes gedragen door ingenieuze houtconstructies. De gevels en dakvlakken zijn vaak gesloten of alleen voorzien van functionele openingen. Een nieuwe functie realiseren in zo’n schuur vraagt om passende ingrepen om comfort en daglichttoetreding te verbeteren en de karakteristiek van het gebouw – de open ruimte - en de vaak bijzondere constructie in het zicht te houden. Wat betreft de veiligheid kan de constructieve sterkte van de historische constructie om aandacht vragen.

Hoogte plafonds en deuren

Vroeger waren de mensen minder lang dan nu. Plafonds en deuren van oude boerderijen zijn vaak (erg) laag naar hedendaagse maatstaven. Een deur van maar 170 cm hoog is niet ongebruikelijk. Simpelweg verhogen is niet altijd mogelijk of gewenst. In de praktijk zijn gelukkig voorbeelden te vinden waarbij de bestaande deuren en het aanzicht zijn gehandhaafd maar de effectieve hoogte is vergroot.

Dat kan bijvoorbeeld door bestaande deuren aan de onderzijde te verlengen in combinatie met een nieuwe vloer of het uitgraven van een aantal treden. Meescharnierende bovenlichten kunnen ook voor een oplossing zorgen. Een derde oplossing uit de praktijk betreft de buitendeur. Als het schuine dak direct boven de deur begint, kan het een optie zijn om de deur naar achteren te plaatsen. Hierdoor ontstaat ruimte voor een hogere deur, maar wordt wel ook een hap uit het dak genomen. Daarom wordt er ook vaak voor gekozen om de ingang naar bijvoorbeeld de deeldeuren te verplaatsen.

Het probleem met te lage plafonds is minder makkelijk op te lossen. In de praktijk zijn er ook boerderijen herbestemd waar de vrije hoogte van plafonds is vergroot door een nieuwe vloer verdiept aan te leggen.

Isoleren van gevels en daken

Oude boerderijen zijn niet geïsoleerd. Ook het bedrijfsgedeelte, het gedeelte waar de oogstopslag of de stallen zich bevinden, is in originele staat alles behalve comfortabel. Nieuwe gebruikers of bewoners zullen daarom al snel de mogelijkheden voor isolatie onderzoeken.

Zolang het gebouw wind- en waterdicht is, kan de oude situatie worden gehandhaafd. En met authentieke oplossingen zoals een tochtgordijn, -portaal en luiken kan in een boerderij vaak ook een acceptabel binnenklimaat worden gerealiseerd. Het plaatsen van isolatieglas of het isoleren van de houten begane grondvloer leveren ook vaak een flinke verbetering op van het comfort.

Aandachtspunten:

  • Isolatie aan de binnenzijde stuit op bezwaren als de boerderij nog beschikt over een historisch interieur. Een creatieve oplossing kan zijn om het voormalige woongedeelte van de boerderij dan de functie van (onverwarmde) slaapkamer te geven. 
  • In sommige gevallen kan het comfort worden verbeterd door (alleen) het enkel glas te vervangen. Belangrijk voor een monument is dat bestaande kozijnen en raamindeling behouden blijven. Er bestaat tegenwoordig dun glas met hoge isolatiewaarde dat bij historische gebouwen in de originele kozijnen kan worden geplaatst. 
  • Als de nieuwe gebruikers een zolderverdieping in het bedrijfsdeel of de schuur in gebruik willen nemen voor wonen of werken (het Bouwbesluit spreekt dan van een 'verblijfsruimte') vraagt isoleren om slimme oplossingen. Als het monumentale karakter vraagt om de historische bouwconstructie en de ruimtelijkheid in zicht te houden, kan dat soms worden opgelost door nieuwe gebruiksruimtes te maken die op zichzelf staan en dus los blijven van de bestaande constructie in het gebouw. Dat noemen we zogenaamd doos-in-doosbouwen. Er worden nieuwe, aparte ruimtes gerealiseerd die ook een eigen verwarming en ventilatiesysteem krijgen.
  • Bij een pannendak doet zich soms de mogelijkheid voor om isolatie aan te brengen aan de buitenzijde, op het dakbeschot. Tegenwoordig bestaan nieuwe dunne isolatiematerialen waarmee het risico dat de monumentale waarden worden aangetast door een te dik isolatiepakket wordt vermeden. 
  • In historische gebouwen vraagt het onvoorspelbare gedrag van vocht om aandacht: vocht kan tot constructieve schade leiden en verlies van bouwmaterie. Vraag daarom altijd om deskundig advies. 

Zie ook Dossier Duurzaamheid

Daglichttoetreding

Voor een nieuwe functie is vaak extra daglicht noodzakelijk. Voor een goede daglichttoetreding is in ieder geval minder 'glas' nodig dan algemeen wordt gedacht. Zelfs 0,5 m2 glasoppervlak levert in de praktijk al veel licht op. Door het raamkozijn aan de binnenzijde af te schuinen, wordt de lichtopbrengst bovendien aanzienlijk vergroot. Licht via het dak levert in de regel twee keer zoveel licht op als hetzelfde raam in de gevel. Een opening of lichtstraat die dichtbij de nok wordt gesitueerd zorgt ervoor dat het daglicht diep de ruimte binnendringt.

Aandachtspunten:

  • De gevel hoeft soms niet te worden aangepast. In de praktijk zijn fraaie voorbeelden gerealiseerd waarbij bestaande deeldeuren en staldeuren zijn gehandhaafd en gecombineerd met terugliggend geplaatste kozijnen met (grote) glaspartijen achter de bestaande gevelopeningen. Deze oplossing heeft als belangrijk voordeel dat het karakteristieke gevelbeeld behouden blijft, en daglicht en uitzicht niet gehinderd worden. 
  • In een aantal projecten laat men daglicht via een zogenaamd 'Twents balkon' toetreden. Die oplossing bestaat uit een tweede (tevens 'thermische') schil achter de monumentale gevel te plaatsen waardoor daglicht op de bovenverdieping toetreedt via het balkon.
  • In houten gevels is het een minder grote ingreep om daglichttoetreding te maken. Het is vaak mogelijk enkele houten delen te verwijderen en er glas achter te zetten.
  • Voorbeeld: Bij de herbestemming van de Vlaamse Schuur in Bavel tot kantoorgebouw heeft architect Arend Groenewegen de hele bestaande gevel vernieuwd waarbij de planken als lamellen zijn aangebracht voor een nieuwe gevel die dient als thermische (isolerende) schil. Daardoor wordt binnen licht en ruimtelijkheid gebracht en blijft de karakteristieke geslotenheid van een Vlaamse schuur met lage, donkere gevel en groot rieten dak herkenbaar.
  • Boerderijen en bijgebouwen bestaan per definitie uit veel dak. Als de open ruimte sterk wordt verhokt, ontstaat automatisch de wens om licht op zolder te krijgen. Het is belangrijk de hoofdvorm van het dak te behouden, waardoor dakkapellen over het algemeen niet mogelijk zijn. Dakvensters hebben de voorkeur, omdat deze in het dakvlak kunnen worden geplaatst. Om de geslotenheid van de kap zoveel mogelijk te waarborgen, is het noodzaak zo min mogelijk dakvensters te plaatsen. Dat betekent slechts op plaatsen waar daglicht echt noodzakelijk is. Een fraaie oplossing uit de praktijk is een lichtstraat die de ruimtelijkheid versterkt.
  • Het Bouwbesluit stelt eisen aan de hoeveelheid daglichttoetreding voor bepaalde ruimtes. Er zijn ondergrenzen die voortkomen uit de eisen voor bestaande bouw. Daarnaast bestaat er ook een verbouwartikel waarin wordt verwezen naar 'de situatie zoals die nu is'. Let op: het verbouwartikel betekent ook dat de bestaande daglichttoetreding niet verslechterd mag worden.

Constructiesterkte

Bestaande houtconstructies hebben vaak een hoge monumentale waarde. Minder bekend is dat de - vaak ingenieuze - constructies ook een grote algemene sterkte en sterkte bij brand hebben. Vaak is deze groter dan bouwinspectie en brandweer verwachten. Bij grote branden raken dakbeschot en dunner houtwerk vaak verloren, maar dragende kolommen en balken overleven niet zelden de brand. Het is dan ook aan te raden om bij herbestemming van een monumentale boerderij een constructeur te kiezen met kennis en ervaring in het berekenen van de sterkte van de monumentale, houten constructies.

Het Bouwbesluit geeft voorschriften voor de sterkte van de bouwconstructie algemeen en in geval van brand.

Links en publicaties

Bestuurs- en rechtsgebouwen

Raad-, recht- en gemeentehuizen

De voorloper van een gemeentehuis is een raad- of rechthuis. In het raadhuis zetelde het dagelijks bestuur van de stad. Een dorpsbestuur kwam bijeen in een rechthuis.  Het begrip gemeentehuis is sinds 1851 de enige juiste benaming voor een gebouw waarin het lokale bestuur zetelt. Een gemeentehuis kreeg een duidelijk representatieve functie, bestaande uit een ingangspartij met trappen en een bordes. Steden hadden, in tegenstelling tot dorpen, vaak al vóór deze periode een representatief stadhuis. Veel raadhuizen hebben de oorspronkelijke functie verloren door gemeentelijke herindelingen. Een raadhuis behoudt vaak de functie als trouwlocatie.

Wanneer een functie niet wordt verloren door gemeentelijke herindelingen schuilt het verlies van de functie als bestuursgebouw vaak in de vraag naar meer en adequater in te delen vierkante meters kantoorruimte. Ook wanneer nog geen nieuwe bestemming gevonden is voor het gebouw dat wordt achtergelaten verhuist het gemeentebestuur, met soms langdurige leegstand tot gevolg. 

Rechtbank, gerechtshof, Paleis van Justitie

Gerechtsgebouwen zijn semi-openbaar, met name het specifieke zittingszalengebied, en kunnen onderdak bieden aan rechtbanken en/of gerechtshoven. Wanneer er een gerechtshof in het gebouw gevestigd is, wordt het gerechtsgebouw ook wel het Paleis van Justitie genoemd. Veelal zijn gerechtsgebouwen onderdeel van een complex waarvan een Huis van Bewaring en een gevangenis, maar ook bijgebouwen als een archiefgebouw en een poortgebouw, deel kunnen uitmaken. Een gerechtsgebouw is specifiek voor die functie neergezet. Gerechtsgebouwen kregen lange tijd een gesloten karakter. Door de nieuwe justitiële indeling van Nederland zijn rechtbanken gesloten. 

Nieuwe functies

Overheidsgebouwen worden op zeer uiteenlopende wijzen herbestemd. De nieuwe levensfase van een gebouw dat zijn functie heeft verloren en wordt herbestemd is onder te verdelen in twee categorieën. De eerste mogelijkheid is het doorzetten van de lijn van de geschiedenis. Er wordt in zo'n geval een logisch voortgaande bestemming voor het vrijgekomen gebouw gekozen waardoor het gebouw nagenoeg ongewijzigd blijft. Er resulteert een facelift voor de cultuurhistorie. De tweede mogelijkheid is een fundamentele metamorfose van het gebouw en de voormalige functie. Er doet zich niet een facelift van de cultuurhistorie voor, maar oud en nieuw gaan samenwerken. De twee categorieën kunnen worden aangevuld met 'Tijdelijk gebruik', een unieke nieuwe functie die steeds meer wordt toegepast.

Een functieverandering in de lijn van de geschiedenis hoeft niet te betekenen dat een openbaar gebouw ook een openbare functie moet houden. Een gesloten gebouw kan in de lijn van de geschiedenis bijvoorbeeld een openbare functie krijgen.

Oud en nieuw worden met elkaar verenigd wanneer een overheidsgebouw een commerciële functie krijgt. Een commerciële functie als een kantoorfunctie, detailhandel, een klein hotel of een B&B vraagt in een aantal gevallen wel de nodige ingrepen in het bestaande pand. 

Meer en meer komt ook een tijdelijk gebruik van overheidsgebouwen in beeld. Allereerst om leegstand te voorkomen, maar ook om een proces van geleidelijke ontwikkeling op gang te brengen. Bij een geleidelijke ontwikkeling zal de belangstelling voor de locatie gaandeweg toenemen (Arens et al, 2012: 22). 

Ontwerpopgaven

Bij de herbestemming van een (monumentaal) overheidsgebouw komt men specifieke elementen tegen die soms voor ingewikkelde, ontwerpopgaven zorgen. De specifieke elementen die verwijzen naar het oorspronkelijke gebruik. Een manier van omgang met een nieuwe functie/gebruiker en de bestaande, bijzondere elementen kunnen de verbinding vormen tussen heden en verleden, ook als de oorspronkelijke functie verdwenen is uit het gebouw.

De raadzaal en burgemeesterskamer zijn belangrijke historische ruimten van een bestuursgebouw (raadhuis, rechthuis, stad- of gemeentehuis). De Nederlandse bestuursgebouwen van vóór 1795 beschikten over een schepenkamer en een vierschaar. De ruimten in het bestuursgebouw kregen een bepaalde logica in de ruimtelijke indeling. De functies van de vertrekken hangen sterk samen met de ruimtelijke indeling. In een bestuursgebouw dat dateert uit of van vóór de negentiende eeuw kan men tevens de volgende vertrekken aantreffen: wethouderskamer, trouwzaal, tweedeklas trouwzaal, weeskamer, assurantiekamer en een thesaurie ordinaris. Bepaalde vertrekken kunnen nog steeds voor dezelfde functie in gebruik zijn, zoals vaak voor de trouwzaal geldt. 

De karakteristieken van gerechtsgebouwen bestaan uit de specifieke organisatie van de ruimten. 

Links

Platform Maatschappelijk Vastgoed

Platform Bouwstenen voor Sociaal

Platform Wijkplaats

Rijksvastgoedbedrijf 

 

 

    Gevangenissen

    Bouwwerken met hekken, muren en poorten

    Het zijn complexen die men liever mijdt, gevangenissen. Ze roepen associaties op met misdaad en straf. Een huis van bewaring, gevangenis of penitentiaire inrichting, in allen zitten mensen die straf verdienen. Een huis van bewaring, vroeger Huis van Arrest genoemd is een cellencomplex waar mensen geen gevangenisstraf maar (voorlopige) hechtenis ondergaan. Langere hechtenisstraffen worden dan in een gewone gevangenis uitgezeten. In een gevangenis zitten de mensen die hun straf van de rechter hebben gekregen. Een gevangenis heeft als herkenningspunten hekken, muren en poorten waarachter zich curieuze bouwsels bevinden (van Dongen & van 't Veen, 2012: 6).

    Redenen van afstoot

    Het gebruik van gevangeniscomplexen staat ter discussie. Een eerste reden is de voortdurend veranderende opvattingen over de omgang met gevangenen. Dit is een aanleiding voor de Dienst Justitiële Inrichtingen, de rijksdienst die verantwoordelijk is voor de huisvesting van gedetineerden, om de exploitatie van hun gebouwen steeds opnieuw te beoordelen op efficiëntie. Daarnaast zijn er bijvoorbeeld veranderende brandveiligheidsnormen. De relatieve inflexibiliteit in architectuur en constructie van gevangeniscomplexen draagt bij aan een steeds belangrijkere mate van afstoot. Een toekomstscenario voor een deel van deze bijzondere gebouwen is herbestemming. 

    Kenmerken behouden

    Een nieuwe functie in een voormalig gevangeniscomplex hoeft niet te betekenen dat de gevangenissfeer verdwijnt. Veel typische gevangeniskenmerken kunnen worden behouden en een rol krijgen in de herbestemde gevangenis.