Adres

Louis Pasteurstraat 10 7415 EP Deventer Nederland

Monumentstatus
Rijksmonument
Transformatiejaar
2010
Oude functie
Klooster
Nieuwe functie
Zorg
Bouwjaar
1956
Architect (origineel)
J.A. van der Laan
Architect (transformatie)
One Architecture
Eigenaar
Deventer ziekenhuis
Betrokken partijen
Nikkels bouwbedrijf
ABT
Dion
Berend Strik
Inside Outside
Petra Blaisse
Organisatie
BNA Onderzoek

Een katholiek klooster uit de jaren ’50 werd door One Architecture op 'protestantse' wijze getransformeerd tot gezondheidscentrum. Met enerzijds radicale, anderzijds historiserende ingrepen is de oorspronkelijke architectuur zichtbaar gemaakt en versterkt. De architect was niet alleen ontwerper, maar ontwikkelde een complete business case; dankzij de integrale aanpak kon het gebouw op een rendabele manier herontwikkeld, en aldus behouden blijven.

Opgave

De voormalige kloosters St. Jozef en St. Geertruiden boden tot 2008 onderdak aan het Deventer Ziekenhuis en aan een klooster. Toen het ziekenhuis besloot te verhuizen naar een nieuwbouwlocatie aan de rand van de stad kwamen de gebouwen grotendeels leeg te staan. One Architecture werd gevraagd de potentie van beide locaties te onderzoeken.

Uitgangspunt was op dat moment om de bebouwing van het St. Jozefklooster te slopen. Echter, de conclusie van het onderzoek was dat een aantal delen van het gebouwencomplex architectonisch de moeite waard waren om te behouden, zoals de kloosteromgang en de toren. Wel werd duidelijk dat de mogelijkheden voor een nieuw programma, gezien de grote omvang en de cellenstructuur van het gebouw, beperkt waren.

Tegelijkertijd was er het besef dat bij verkoop van het complex de eerstelijnszorg die in de verschillende te verlaten locaties gevestigd waren (zoals de huisartsenpraktijk en de praktijk voor fysiotherapie) op straat zou komen te staan. Zodoende ontstond het idee om die partijen bij elkaar te brengen en een deel van het gebouw voor hen te herontwikkelen. Op die manier zou niet alleen het gebouw zelf, maar ook de zorgfuncties voor de wijk behouden blijven.

Door al in de initiatieffase een groep huurders bij elkaar te brengen werd bovendien het risico van de (her)ontwikkeling beperkt; de kans op leegstand na de renovatie was nu minimaal.

Aanpak

Het idee dat door het adviesteam Herbestemming (OneArchitecture en de procesmanager) was geformuleerd werd voorgelegd aan de directie van het Deventer Ziekenhuis. De directie vroeg hen vervolgens het plan te vertalen naar een business case, waarin de mogelijkheden voor herbestemming zouden worden vastgelegd, evenals de verschillende programmaonderdelen en de financiën. Nadat gebleken was dat het beoogde programma in een gedeelte van het gebouw paste (6000 van de 20.000 m2) stemde de opdrachtgever in met het voorstel.

Zodoende heeft de architect in deze fase van het project een bijzonder grote rol op zich genomen. Naast het opstellen van de business case heeft One Architecture, in nauwe samenwerking met procesmanager Karst Blijham, ook het grootste deel van het procesmanagement op zich genomen – het overleg met de gebruikers, de specificatie van het programma van eisen, de financiering en het opstellen van huurcontracten. Blijham concentreerde zich op de communicatie tussen de directie en de architect. Vanaf de Voorlopig Ontwerpfase is vervolgens een bouwteam gevormd, met installatieadviseurs, technisch adviseurs en een aannemer. De directie over de uitvoering van het project is vervolgens weer extern ondergebracht.

Ontwerp

Het architectonisch ontwerp is een vanzelfsprekend onderdeel van de ontwikkelde business case. Uitgangspunt was een gebouw met een monumentale status (ook al had het gebouw die status op dat moment nog niet): een duurzame renovatie voor ten minste vijftig jaar. De architect zocht om die reden ook direct contact met de secretaris Monumentenzorg van de Gemeente, met wie hij zijn plannen besprak en afstemde. Toen het gebouw uiteindelijk in 2007 inderdaad een beschermde status kreeg als Rijksmonument - de bouwaanvraag was toen al ingediend - hoefden er slechts een aantal kleine aanpassingen gedaan te worden aan het ontwerp.

Het was een hele puzzel om de verschillende praktijken en klinieken, elk met hun eigen specifieke (medische) wensen en eisen in het bestaande complex onder te brengen. Allereerst diende de logistieke organisatie van het gebouw verbeterd te worden. De centrale ontsluiting van de verschillende praktijken is in de nieuwe situatie via de binnenplaats georganiseerd; een nieuw trappenhuis is in de voormalige kapel geplaatst. De toren fungeert nu als hoofdentree. Vervolgens is de kleinschalige cellenstructuur van het klooster omgevormd tot een heldere structuur met behandelkamers, wachtruimtes en kantoren. In de afwerking van ruimtes is extra aandacht besteed aan de hygiënische eisen. Zo werd op de plaats waar een oude bakstenen wand om architectonische redenen in het gezicht gelaten werd, een glazen plaat aangebracht die eenvoudig te reinigen is.

Confrontatie en conformatie

De architectonische ingrepen die Bouw in het complex deed, zijn enerzijds confronterend, anderzijds historiserend. De meest radicale ingreep - het doorzagen van het zusterhuis aan de Pasteurstraat - heeft vooral een praktische reden, namelijk het creëren van de benodigde parkeerplaatsen. Echter, om de bestaande stedenbouwkundige scenografie intact te laten, werd ervoor gekozen niet de gehele vleugel te slopen, maar de zes meter die niet benodigd was voor het parkeren te laten staan. In dit bouwdeel zijn nu de kantoren van de bloedbank gehuisvest.

Andere ingrepen zijn een meer persoonlijke reactie van de protestantse architect Bouw op de traditionele, katholieke architectuur van Van der Laan. Het vroeg na-oorlogse gebouw, dat voor zijn tijd een moderne techniek kende, oogde van buiten ‘alsof het er al eeuwen stond’, aldus Bouw. Zo verhulden de bakstenen gevels, waarin sculpturale elementen zijn opgenomen, dat het een betonnen skelet had. Een belangrijke drijfveer voor de architect was om die structuur beter zichtbaar en transparanter te maken. Meer licht in het gebouw brengen was bovendien ook vanuit praktisch oogpunt gewenst; zowel in de behandelkamers als wacht- en kantoorruimtes is natuurlijk licht gewenst. Waar Bouw gevels om logistieke redenen doorbrak, plaatste hij daarom glazen puien; door deze nieuwe huid zijn afgezaagde vloeren en zelfs spouwen nu vol in het zicht gekomen.

Soberheid en rijke ornamentiek

Wel stond voor de architect vast dat het gebouw niet zijn poëtische dimensie mocht verliezen. Bepaalde elementen zijn om die reden behouden en zelfs versterkt, zoals de kapel en de klokkentoren. Deze toren had voorheen alleen een stedenbouwkundige functie; deze bepaalde mede het silhouet van het gebouw in de stad. Van binnen werd de hoge ruimte niet ervaren, doordat deze opgedeeld was in verdiepingen. Door de verdiepingsvloeren uit de toren, nu de hoofdentree, te slopen valt daglicht van boven naar binnen en is een deel van het betonnen skelet zichtbaar gemaakt.

Ook paste Bouw op verschillende plaatsen ornamenten toe. Berend Strik maakte een aantal kunstwerken, waaronder glas-in-loodramen die de situatie van de vroegere verpleegfunctie van het klooster verbeelden, en de polyesterbeton gevelelementen met orgaanreliëf van de bloedbank, op de plek van het doorgezaagde zusterhuis. De ingetogen vormgeving van het complex, afgewisseld met rijke kunsttoepassingen, blijft in het nieuwe ontwerp overeind.

Financiering

Omdat de architect al vanaf de initiatieffase bij het project betrokken was en de opdrachtgever hem had gevraagd om een complete business case te ontwikkelen (in plaats van alleen een architectonisch ontwerp), was de financiering al in het plan verwerkt. Het budget voor kunstenaar Berend Strik was bijvoorbeeld al opgenomen in dit voorstel. Deze manier van werken had als voordeel dat de architect de vrijheid had om binnen het model problemen ofwel ontwerpend ofwel financieel op te lossen. Dit grote werkdomein heeft geholpen om de kwaliteit van het project te bewaren.

De ontwikkeling van het gezondheidscentrum, in combinatie met de monumentale status die het complex ondertussen kreeg, bleek te werken als een katalysator. Uiteindelijk werd de rest van de gebouwen in 2009 verkocht aan een andere zorginstelling, die ook voor herontwikkeling kiest. Daardoor blijft de rest van het complex, zowel architectonisch als functioneel, gehandhaafd.

Leerpunten

De integrale aanpak, waarbij de architect niet alleen verantwoordelijk is voor het ontwerp, maar ook de ontwikkeling en het procesmanagement (deels) op zich neemt, is een van de succesfactoren van dit project. Door als architectenbureau steeds meer aan het begin van vraagstukken te gaan staan, kan een architect zijn ruimtelijke en ontwerpende expertise ook in financiële, culturele, politieke en organisatorische domeinen inzetten.

Belangrijkste leerpunt voor de architect is het (beter) erkennen van de specifieke eisen die het ontwerpen voor de zorgsector vergt. De bijzondere omgeving van de zorg kent zijn eigen wetten en logica en bleek voor de architect ingewikkeld om in te opereren. Dat leidde soms tot een botsing van culturen. Ook het werken met twaalf verschillende gebruikers was complex. Voor de architect was het moeilijk het vertrouwen van de huurders te winnen en hen allemaal tevreden te stellen; zo kozen de huurders uiteindelijk er voor om met een eigen interieurontwerper te werken. Al met zou op het gebied van de regie nog winst geboekt kunnen worden door de architect.

Meer informatie

Google map of Sint Jozefklooster, Deventer