Adres

Julianalaan 134 2628 BL Delft Nederland

Monumentstatus
Rijksmonument
Transformatiejaar
2008
Oude functie
Kantoor
School
Nieuwe functie
School
Bouwjaar
1915
Architect (origineel)
G. van Drecht
Architect (transformatie)
Braaksma & Roos (coördinerend architect), MVRDV, Fokkema Architecten, Kossmann De Jong, Octatube Int. BV., 2012 architecten
Eigenaar
TU Delft
Betrokken partijen
Arcadis, BV Elektrotechnisch aannemingsbedrijf De Vest, Cofely West Utiliteit, Base consultancy i.s.m. TU Facilitair Management & Vastgoed (FMVG), FGB Facility Professionals, DHV Bouw en industrie, Routz, Meesterbouw, Fokkema Architecten en Kossmann De Jong, Aannemingsbedrijf GB Van Hoek BV, Formabouw, Verbeek Glas en Studio Smits reclame, Vitra
Organisatie
BNA Onderzoek
Monumentnummer
525269

Opgave

Toen op 13 mei 2008 de faculteit Bouwkunde door een grote brand werd getroffen, was het voormalige hoofdgebouw van de TU Delft, oorspronkelijk gebouwd als scheikundefaculteit, net verkocht aan ontwikkelaar Fortis. Fortis had het bureau Braaksma en Roos aangetrokken om het ontwerp te maken voor de herontwikkeling tot luxe wooncomplex.

Direct na de brand werd Bouwkunde in eerste instantie in een tentenkamp gehuisvest. Tegelijkertijd werd direct door het faculteitsbestuur, onder leiding van decaan Wytze Patijn, een quick-scan uitgevoerd om geschikte tijdelijke huisvesting te vinden. Bouwkunde wilde dichtbij de campus van de TU blijven en niet versnipperd worden over meerdere gebouwen. Het hoofdgebouw aan de Julianalaan, op papier al verkocht (de koopakte was nog niet gepasseerd), kwam als de meest geschikte optie naar voren. Binnen twee weken werd besloten om dit pand te verbouwen en de koopovereenkomst met Fortis te ontbinden.

Dat deze beslissing op zo’n korte termijn genomen kon worden, kwam mede doordat er al een aantal architecten betrokken was bij de planvorming rond de bouwkundefaculteit. Fokkema Architecten, Winy Maas (MVRDV) en Kossmann De Jong waren eerder aangetrokken om na te denken over herindeling van het gebouw aan de Berlageweg. Zodoende lag er al een programma van eisen klaar. Om gebruik te maken van deze kennis, en tijd (die een architectenselectie zou kosten) te sparen werd, heel pragmatisch, besloten met deze architecten verder te gaan. Braaksma en Roos werd aan dit team toegevoegd omdat zij zich al uitgebreid hadden verdiept in de mogelijkheden voor herbestemming van het gebouw aan de Julianalaan.

Omdat het gebouw met 30.000 m2 te klein was werd besloten twee serres aan te bouwen. Octatube, het bureau van Mick Eekhout (professor aan de Bouwkundefaculteit) werd voor deze nieuwbouw bij het project betrokken. De expertise van MVRDV en de ook aan de TU Delft verbonden Winy Maas werd ingezet in de conceptfase.

De opgave voor dit architectenteam was om gezamenlijk een ontwerp te maken voor tijdelijke huisvesting, waarin het atelieronderwijs maximaal gefaciliteerd en aantrekkelijk gemaakt wordt, voor een periode van vijf jaar.

Aanpak

Drie weken na de brand zaten de vijf architecten met elkaar om de tafel. De aannemers voor de sloopwerkzaamheden stonden klaar. Er lag nog geen enkele tekening, en er was nog geen budget bekend. De enige mogelijke aanpak was om ‘al doende’ een plan te formuleren.

Allereerst besloten de architecten met elkaar een reeks workshops te organiseren om tot een ontwerpconcept en een taakverdeling te komen. Doel hierbij was om zoveel mogelijk voort te bouwen op bestaande kennis.

Besloten werd dat Braaksma en Roos zich bezig zou houden met de hoofdstructuur en op zou treden als coördinerend architect. Fokkema Architecten werd verantwoordelijk voor de indeling van het programma en het interieur, inclusief het nieuwe flexwerkplan. Octatube richtte zich op de engineering van de nieuw te bouwen serres. MVRDV zou het interieur van de Oost-serre uitwerken. En Kossmann De Jong deed de zogenaamde interieur-specials: de binnenstraat en het restaurant. 2012 Architecten heeft de espressobar ontworpen, maar zat niet in dit vaste ontwerpteam.

Omdat de sloop al in gang was gezet - uit de eerdere analyse van Braaksma en Roos was al duidelijk welke delen zonder meer onbruikbaar waren - moest door het architectenteam vrijwel direct een aantal beslissingen genomen worden. Bijvoorbeeld over de loop van de nieuwe installaties, en het brandveiligheidssysteem (wel of geen sprinklers). Er moest dus ook snel een keuze gemaakt worden over wat de hoofdkarakteristiek van het gebouw zou worden.

Ontwerp

Het bakstenen gebouw, oorspronkelijk gebouwd als Scheikundefaculteit, stond bekend als een sombere en naargeestige kolos. Ruimten waren in de loop der jaren ‘verhokt’ en op veel plaatsen waren verlaagde plafonds aangebracht. Het complex ontbeerde grote ruimten en helderheid in de plattegrond - je kon er makkelijk verdwalen. Het ontwerp is erop gericht om deze zaken te verbeteren.

Tegelijkertijd werd besloten om de kwaliteit en de sfeer van het oorspronkelijke laboratorium terug te brengen. Het idee ontstond voor een gebouw als éducation permanente, waarin studenten kunnen zien hoe de structuur, de constructie en de installaties in elkaar zitten. De verlaagde plafonds zouden zodoende verwijderd worden en de nieuwe leidingen in het zicht blijven. Gaten in de muren en andere oneffenheden zijn bewust niet weggewerkt, ook om kosten te besparen.

De belangrijkste ruimtelijke ingrepen zijn het terugbrengen van de oorspronkelijke verdiepingshoogte van zes meter, het aanbouwen van de twee serres (maquettewerkplaats en auditorium) en de introductie van de binnenstraat die dwars door het gebouw heen loopt, van west naar oost. De interventies in gevels en muren komen voort uit de route van deze binnenstraat, die de verschillende entrees, de serres en het oude ketelhuis (nu restaurant) met elkaar verbindt. Dit is de plek waar studenten en docenten elkaar ontmoeten. Tegelijkertijd bepaalt deze hoofdstructuur - een aaneenschakeling van plekken - de nieuwe identiteit van Bouwkunde en de naam van het gebouw: BK-City.

Rijksmonument

Omdat de benodigde ruimtelijke ingrepen beperkt waren, vormde het feit dat het gebouw een Rijksmonument was, geen probleem. Bovendien had Braaksma en Roos al een scherpe analyse van het gebouw gemaakt, waaruit een integrale waardestelling was geformuleerd. Deze stond los van het programma van eisen en bleef ook in de nieuwe situatie van kracht.

Zodoende werd snel overeenstemming bereikt met welstand en monumentenzorg. De urgentie van het project speelde daarbij ook mee; na een ongelukkige aanleiding volgde een zeer voortvarend traject. Waar de architect normaal gesproken langs de loketten van de gemeente moet voor allerhande vergunningen, schoof de gemeente nu bij het ontwerpteam aan tafel. Uiteindelijk konden in september 2008, vier maanden na de brand, de eerste studenten al in het nieuwe gebouw aan de slag. De rest van de faculteit volgde in november.

Financiën

Omdat het project direct na de brand op de Bouwkundefaculteit startte, en al doende werd ontwikkeld, was niet direct bekend wat het zou kosten. Zodra de planvorming startte werden door betrokken adviseurs voortdurend calculaties gemaakt. Wekelijks was er overleg tussen de opdrachtgever (het College van Bestuur) en het architectenteam om de financiën te bespreken.

Wel was direct de keuze gemaakt voor tijdelijke huisvesting, en dus voor een geringere investering dan bij nieuwbouw. Om die reden is verduurzaming van het gebouw (bijvoorbeeld het vervangen van enkel door dubbel glas) niet meegenomen in het ontwerp en is het gebouw niet uitgebreid met een derde serre. Hiervoor zullen uiteindelijk alsnog maatregelen genomen moeten worden. Ook is bewust gekozen voor een robuuste, goedkope afwerking van het interieur, met de leidingen in het zicht. Terwijl wel is geïnvesteerd in mooi (design)meubilair dat meegenomen zou kunnen worden naar een nieuw gebouw.

Minister Plasterk van Cultuur had meteen na de brand € 25 miljoen toegezegd om te stimuleren dat het nieuwe gebouw voor Bouwkunde een icoon zou worden van de Nederlandse architectuur. Die financiële steun moest volgens Plasterk het verschil maken tussen ‘een goed gebouw en een icoon’. Dit bedrag was bedoeld voor nieuwbouw. Nu de faculteit besloten heeft zich definitief aan de Julianalaan te vestigen, moet het geld terugbetaald worden, ook al is BK-City inmiddels een icoon. Het gebouw kreeg van de Europese Unie de Europa Nostra Award 2011 voor behoud van Cultureel Erfgoed en werd genomineerd voor de Gulden Feniks 2011.

Leerpunten

De urgentie van het project, waarvoor de brand immers de aanleiding was, vormde in eerste instantie een nadeel. Maar BK-City bewijst dat ook snel en onder grote tijdsdruk kwalitatief kan worden gebouwd. Het voordeel was dat er geen tijd was om deelbelangen te benadrukken en compromissen te sluiten. Knopen werden snel doorgehakt, procedures vlot doorlopen; in dit project had iedereen hetzelfde belang - opdrachtgever, architecten, gemeente. De ongekend korte tijd waarin BK-City gerealiseerd is geeft te denken over de slepende trajecten die in de bouw, zeker bij herbestemming, gebruikelijk zijn.

Daarnaast heeft het succes van BK-City de TU Delft aangezet tot een nieuwe manier van denken over de aanhechting van de campus met binnenstad. Eerder was door het College van Bestuur besloten de vooroorlogse faculteitsgebouwen rond het centrum af te stoten en zich terug te trekken op de campus die in de jaren ’60 is gebouwd. Nu een gebouw zijn vitale functie heeft teruggekregen wil men de plannen herzien; BK-City biedt een nieuwe perspectief op de mogelijkheden van deze gebouwen.

Meer informatie

Deze projectbeschrijving maakt deel uit van een analyse best practices van 10 herbestemmingsprojecten uitgevoerd door BNA Onderzoek met focus op de rol van de ontwerper.

Google map of BK-city, Delft